Overheid zet cultuursector buitenspel – Fair Play?

Het is al weer enige tijd geleden dat de laatste redactionele column op MusicalJournaal is geplaatst. Met ons kleine team moeten we prioriteiten stellen in de dingen die we doen, waardoor dit er even niet van gekomen is. En met de nieuwsberichten, recensies, verslagen en interviews hadden we onze handen vol. Dus dan maar even geen column over de mooie voorstellingen die te zien zijn, of de kwaliteit van de musicalopleidingen in ons land. Helaas is dit ook geen column in die categorie. Soms is er een moment dat je wil schrijven over de dingen die je opvallen. Gisteren was zo’n moment. Het was het moment waarop het bericht naar buiten kwam dat er een uitspraak was in de rechtszaak die door een aantal partijen in de theatersector was gevoerd tegen de Nederlandse Staat. Onderwerp was de al maanden in het nieuws zijnde BTW-aanpassing op o.a. podiumkunsten, die van 6% naar 19% werd verhoogd. Dat die rechtszaak niet gewonnen was, wekte geen verbazing en was ook niet de aanleiding voor deze column. De onderbouwing van het vonnis was dat wél. Met stijgende verbazing heb ik die onderbouwing gelezen. Ik ben geen jurist, maar zelfs voor een leek werden er een aantal opzienbarende argumenten ter tafel gebracht, die schrééuwen om een reactie. Een schreeuw om cultuur, om maar eens een min of meer actuele slogan te gebruiken.

De argumenten van de eisende partijen (waaronder de Vereniging van Vrije Theater Producenten (VVTP, onder voorzitterschap van Erwin van Lambaart) waren eigenlijk vrij simpel: BTW op podiumkunsten werd verhoogd, maar die van een aantal andere, soortgelijke en onderling concurrerende, vrijetijdsbestedingen, zoals bezoek van sportwedstrijden en circussen, bleven onder het lage BTW tarief vallen. Daarmee werd door de Nederlandse Staat de onderlinge concurrentie ten gunste van o.a. die sportwedstrijden en circussen beïnvloed en dat is volgens Europese regels verboden. En aangezien we in Europa hebben afgesproken dat Europese regels belangrijker zijn dan nationale wetten, ging de Staat hiermee haar boekje te buiten. Klinkt niet onlogisch, toch? Fout! Wél voor de rechters in kwestie. Met het vonnis werd duidelijk dat men de Nederlandse Staat wel heel erg graag ter wille was.

Het hele vonnis werd n.l. opgehangen aan het begrip “soortgelijk”. De eerste fout die de rechtbank maakte, was dit begrip geïnterpreteerd werd als “identiek”. En een musical is niet identiek aan een circusvoorstelling. Maar het begrip “soortgelijk” duidt op een aantal overeenkomstige kenmerken, niet op het ontbreken van onderscheidende kenmerken. Zo zijn er tussen musical en een circusvoorstelling een groot aantal overeenkomstige kenmerken; het is een voorstelling, gebracht door professionele artiesten, voor betalend publiek, in een daarvoor ingerichte ruimte, met als bedoeling het publiek enige tijd te vermaken. En met deze overeenkomsten kun je ook nog een sportwedstrijd “soortgelijk” noemen. De rechtbank concludeerde echter, met verwijzing naar o.a. eerdere uitspraken over medicijnen, slacht- en gezelschapspaarden en lijkbezorging (jawel, je leest het goed), dat het aanwezig zijn van een enkel verschil al voldoende is voor het niet “soortgelijk” zijn. Daarmee werd volledig voorbij gegaan aan de bedoeling van de regels en gekozen voor een dusdanig strikte interpretatie, dat de Staat in het gelijk gesteld moest worden. Opvallend dat hiervoor werd gekozen. Als het onderwerp n.l. niet iets “ontastbaars” was als een theatervoorstelling, maar een fysiek product, dan was de hele discussie compleet anders verlopen. Voor fysieke goederen zijn er n.l. wereldwijde afspraken over indeling in goederensoorten en die indeling (de “goederennomenclatuur”) wordt o.a. gehanteerd bij  het vaststellen van douanerechten en… BTW-heffingen. En het allermooiste is nog wel, dat die indelingen wél gebaseerd zijn op overeenkomsten en niet op een enkel voorkomend verschil. Het Nederlandse Handboek Douane vermeldt zelfs expliciet (Hoofdstuk 6) “4. Goederen die niet kunnen worden ingedeeld overeenkomstig vorenstaande regels, worden ingedeeld onder de post die van toepassing is op de goederen waarmede zij de meeste overeenkomst vertonen.” Helemaal geen onderscheid dus omdat er een enkel verschil is. Bij twijfel, kijken naar de meeste overeenkomsten.

De rechtbank was dermate tevreden met deze “oplossing”, dat ze het meteen ook maar welletjes vond. De gelijksoortigheid was het belangrijkst, of er sprake was van onderlingen concurrentie was niet meer van belang. En om dat aan te tonen werd er zelfs verwezen naar Duitse, Franse en Spaanse wetteksten. Daar stond immer “Deshalb”, deshalb was alles wat na “gelijksoortig” stond van ondergeschikt belang! Zo hadden de Duitsers, Fransen en Spanjaarden het geïnterpreteerd, dus zo zou het ook maar in Nederland moeten zijn. Beetje vreemde situatie, dat een zaak voor een Nederlandse rechter niet wordt beoordeeld naar de Nederlandse wet of naar de bovenliggende Europese regels, maar naar wat andere landen hierover in hun eigen lokale wetten hadden geschreven.

Dat de rechtbank de eisende partij in het ongelijk stelde, is gezien bovenstaande niet verbazingwekkend. De onderbouwing is dat wel. De effecten van deze uitspraak en de ongeveer tegelijk aangekondigde bezuinigingen op het cultuurbudget versterken elkaar ook nog eens: door verlagen van subsidies zal minstens een deel daarvan afgewenteld worden op het publiek; de prijs van het kaartje gaat omhoog. Tegelijk gaat ook nog de BTW op dat kaartje omhoog. Driedubbel kassa voor de Staat: minder subsidies te betalen, meer BTW-ontvangsten omdat het BTW-tarief omhoog gaat én meer BTW-inkomsten omdat de basisprijs van het kaartje hoger wordt! Ofwel, de Staat als financiële goochelaar, die een “linkse hobby” omtovert tot een “rechtse begrotingsmaatregel”.

Is de cultuursector hierin een machteloos slachtoffer? Een beetje wel, al kunnen ze nog een beroep doen op “het algemene beginsel van behoorlijk bestuur”. Eén van die beginselen is dat een overheid gehouden is aan “fair play”; De overheid moet zich onpartijdig opstellen bij het nemen van een besluit. Een knappe rechter die tot die conclusie komt.

Frank

PS: als de rechtbank de eisende partijen in het gelijk had gesteld en dat er dus geen onderscheid gemaakt mocht worden, dan lag de volgende stap van de Regering voor de hand: dan ook maar de BTW verhogen op circussen, sportwedstrijden, etc…

Gerelateerd aan dit artikel
Column
,
Deel dit artikel: