Na driemaal Veenhuizen en éénmaal Carré is gisteravond de musical Het Pauperparadijs, gebaseerd op het gelijknamige boek van Suzanna Jansen, voor de vijfde keer in première gegaan, nu in het Afas Theater in Leusden. Begonnen als openlucht locatietheater, moet de musical zich nu bewijzen in een regulier theater, zonder relatie naar de plaatsen waar het zich afspeelt. Als dat een experiment is, dan mag dat, net zoals de heropvoedingskampen waar het verhaal zich afspeelt, als mislukt beschouwd worden.
De voorstelling wordt geopend met een tot treurmars verworden ‘Bij ons in de Jordaan’, waarin wordt bezongen dat het begin negentiende eeuw voorwaar geen feest was in de Amsterdamse volkswijk. Diepe armoede was troef en er was een enorme kloof tussen de onderlaag van de samenleving en de welgestelde burgerij. Generaal Johannes van den Bosch (Ruben Brinkman) krijgt toestemming voor zijn plan om de paupers van Amsterdam de woeste veengronden van Drenthe “vrijwillig” te laten koloniseren. Het moet ze niet alleen uitzicht geven op een beter bestaan, ook de landbouw in het jonge, maar arme, Koninkrijk der Nederlanden zou een enorme impuls krijgen. Het zou de economie aanjagen en de armoede bestrijden. Gaandeweg blijkt dat het niet zo eenvoudig is; de bewoners van de gestichten in de Koloniën van Weldadigheid werden daarom ingezet in de eerste stoommachine-aangedreven katoenspinnerij van Nederland. Ze werden vanuit een agrarische omgeving naar het tijdperk van de industriële revolutie gekatapulteerd.
Tegen deze achtergrond speelt het liefdesverhaal van pauper Teunis (Danny Westerweel) en bewakersdochter Cato (Myrthe Burger) zich af. Het is een onmogelijke liefde, niet alleen vanwege het standverschil, maar ook omdat Teunis katholiek is en Cato Nederlands Hervormd. Dat ze toch de goedkeuring krijgen van de tirannieke vader van Cato voor een huwelijk is niet alleen bijzonder, maar ook vrij ongeloofwaardig.
De scènes worden aaneen gepraat door de Verteller (Gusta Geleijnse), maar dit komt dusdanig uitleggerig over dat het eerder een teken van onvermogen is om de het verhaal middels de scènes zelf te vertellen dan een zinvolle rode draad door de voorstelling. De rol van Verteller is in het heden gepositioneerd (meermalen en overbodig benadrukt door aan te geven dat de verteller een theatermaker is), waardoor deze positie tevens gebruikt wordt om veelvuldig parallellen te trekken naar de huidige politieke, humanitaire en sociale omstandigheden. Het ontneemt daarmee het publiek elke kans om zelf tot die conclusie te komen. De demagogie wordt niet geschuwd en elke clichématige oneliner uit het politieke landschap wordt over je heen gestort. Tijdens een parlementair debat wordt ook nog een belegen uitspraak van Hans Wiegel (“Sinterklaas bestaat en hij zit daar”) aangehaald. Makkelijk scoren met hapklare brokken populisme.
Bij regionaal locatietheater kan een uit vrijwilligers bestaand ensemble prima werken, net als authentieke dialecten. Haal de voorstelling uit de regio en het dialect wordt door een deel van het publiek als “grappig” gezien en geeft het ensemble de voorstelling, in combinatie met regiekeuzes, de (ongetwijfeld niet bedoelde) sfeer van amateurtoneel. Ook kunnen vraagtekens gezet worden bij de keuze om lucht in de voorstelling te geven door bijvoorbeeld Nederlands-Indische bewoners tussendoor dierengeluiden te laten maken of de slapstick-geluidseffecten. Muzikaal worden er een aantal stevige rocknummers gespeeld, die helaas regelmatig de zang onverstaanbaar maken. Ook in de ensemblezang is de verstaanbaarheid te beperkt.
Al met al geeft deze uitvoering van Het Pauperparadijs niet het gevoel dat er na deze vijfde première meer in het verschiet zit. De voorstelling is nu in ieder geval nog tot en met 17 augustus te zien in het Afas Theater in Leusden. Meer info en tickets: hetpauperparadijs.nl
Frank



