Sinds de Broadway-première in 2014 heeft The Last Ship een lange en grillige ontwikkeling doorgemaakt. Wat begon als een persoonlijk project van Sting, geïnspireerd door zijn jeugd in een scheepsbouwgemeenschap in Noordoost-Engeland, is in de loop der jaren meerdere malen herzien. In deze vernieuwde versie zijn bijvoorbeeld vrijwel alle expliciete katholiek-religieuze verwijzingen uit eerdere uitvoeringen verdwenen. Je zou kunnen zeggen dat de The Last Ship niet echt koersvast was.
Het verhaal speelt zich af in een stad waar de scheepswerf al generaties lang het middelpunt vormt van werk, identiteit en onderlinge verbondenheid. De dreigende sluiting raakt niet alleen de arbeiders, maar het hele sociale weefsel van de gemeenschap. Tegen die achtergrond keert marine-officier Gideon Fletcher (Declan Bennett) terug naar zijn geboorteplaats, na het overlijden van zijn vader. Hij verliet de werf jaren geleden om een ander leven op te bouwen, maar wordt bij zijn terugkeer geconfronteerd met wat hij achterliet. Gideon ontdekt dat hij een dochter heeft, Ellen (Hannah Richardson), het kind van zijn vroegere geliefde Meg Dawson (Lauren Samuels).
Meg is gebleven toen Gideon vertrok en heeft haar bestaan opgebouwd rond de werf. Zij is inmiddels eigenaresse van de lokale pub, de stamkroeg van de arbeiders, waar zorgen worden gedeeld, plannen ontstaan en spanningen zichtbaar worden. Haar positie is complex. Naast haar verleden met Gideon onderhoudt zij een los-vaste, ongemakkelijke relatie met Freddy Newlands (Mathew Craig), de eigenaar van de werf. Freddy begeert haar, maar vertegenwoordigt tegelijk de economische macht die de toekomst van de arbeiders bepaalt. Die persoonlijke en zakelijke lijnen lopen voortdurend door elkaar en geven het verhaal extra lading.
Het morele zwaartepunt ligt bij Jackie White, de voorman van de werf, goed gespeeld door Sting zelf. Jackie is een gerespecteerde en principiële leider, maar ernstig ziek. Hij weet dat hij nog maar één keer alles kan geven. Voor hem liggen twee onontkoombare gevechten open: een strijd tegen zijn ziekte en een strijd tegen de overheid en de werfeigenaar die de sluiting doordrukken. Jackie beseft dat hij deze gevechten niet allebei kan voeren en waarschijnlijk geen van beide kan winnen. De keuze die hij moet maken vormt het morele hart van de voorstelling, al krijgt die spanning pas gaandeweg echt gewicht.
Die vertraagde opbouw typeert vooral de kabbelende en zwaarmoedige eerste akte. Nevenfiguren zoals de poëet-arbeider en de dronken timmerman dragen nauwelijks bij aan de ontwikkeling van het centrale conflict. Het personage van The Ferryman, het spirituele geweten, is te vaag en weinig urgent. Ook het decor onderstreept die lange stilstand. Het beeld is overwegend industrieel en sober, met staal, steigers en werkvloeren die de scheepswerf vormen. Dominant aanwezig is een enorm led-scherm waarop vrijwel de hele voorstelling de kiel van de Utopia, het laatste schip, wordt geprojecteerd. Die romp hangt als een onafwendbare belofte boven het verhaal en fungeert vooral als statisch symbool. Pas tegen het einde komt daar letterlijk beweging in. Dat moment werkt visueel sterk, maar benadrukt tegelijk de trage vaart van de voorstelling. Daarvóór wordt er tijdens changementen vooral door het ensemble gesleept met meubilair.
Wanneer de focus zich meer richt op Jackie’s dilemma en de gevolgen van de naderende sluiting, wint de voorstelling aan zeggingskracht. De personages om hem heen geven zijn strijd emotionele diepte. Peggy White, zijn vrouw, gespeeld door Annette McLaughlin, bewaakt de menselijke maat en laat zien wat idealisme en volharding betekenen. Meg Dawson is een van de meest gelaagde figuren in de voorstelling. Als pubhoudster vormt zij het sociale hart van de gemeenschap, terwijl haar relatie met Freddy Newlands de spanning tussen persoonlijke afhankelijkheid en economische macht scherp blootlegt.
Thematisch raakt The Last Ship aan Nederlandse producties als Het Geluk van Limburg en Dagboek van een Herdershond. Ook hier staat het verdwijnen van een industrie centraal en de impact daarvan op identiteit en gemeenschap. Waar deze voorstellingen sterk leunen op nationale herkenning en persoonlijke nabijheid, blijft The Last Ship nadrukkelijk geworteld in de Britse arbeiderscultuur. Dat geeft authenticiteit, maar zorgt ook voor afstand bij een internationaal publiek.
Muzikaal overtuigt de voorstelling absoluut. De signatuur van Sting is overal hoorbaar, ook wanneer hij zelf niet zingt. Wanneer Declan Bennett als Gideon inzet, hoor je Sting in ritme, melodielijnen en melancholie. De muziek beweegt zich tussen folk en zeemansliederen, gedragen door krachtige mannelijke koorzang. Alles wordt ijzersterk gezongen en zal voor liefhebbers van Stings werk als herkenbare cadeaus voelen. Tegelijkertijd werkt de overvloed aan ballads niet altijd in het voordeel van de spanningsopbouw. Emotie krijgt veel ruimte, soms ten koste van vaart. Ook het veelvuldig gebruik van maritieme metaforen verliest gaandeweg zijn kracht en wordt eerder herhaling dan verdieping.
De climax is inhoudelijk raak en verrassend, maar voelt ook abrupt, alsof het verhaal pas laat besluit waar het werkelijk naartoe wil. Daardoor blijft The Last Ship een voorstelling met duidelijke kwaliteiten en even duidelijke tekortkomingen. Het is eerlijk en ambitieus muziektheater, met een sterk muzikaal fundament, dat weet te ontroeren en te imponeren, maar dramaturgisch niet altijd de volle vaart weet te vinden.
Frank
The Last Ship speelt tot en met 1 februari 2026 in Koninklijk Theater Carré en zal van 29 augustus tot en met 13 september 2026 terugkeren naar dit Amsterdamse theater. Meer info en kaarten: carre.nl



















